Patrick Kluivert: De beste en sierlijkste spits die Nederland ooit heeft voortgebracht
De vraaggesprekken van Wilfried de Jong zijn door zijn vasthoudendheid en voorbereiding zeer behoorlijk. Zijn gesprekstechniek rust op doordrammen en ijver. Toch is er één interview dat mij al jaren dwarszit.
In mei 2006 ontvangt De Jong Patrick Kluivert aan tafel bij Holland Sport. Kluivert is dan dertig jaar oud, herstellende van opnieuw een blessure, en zonder dat iemand het op dat moment beseft al bezig aan de laatste hoofdstukken van zijn carrière.
Aanleiding voor het gesprek is zijn autobiografie, opgetekend door Mike Verweij van de Telegraaf. Daarin staat onder meer dat Kluivert contact heeft onderhouden met de nabestaanden van het dodelijke verkeersongeval dat hij als negentienjarige veroorzaakte. Dat bleek niet te kloppen. De Jong besloot hem daar live mee te confronteren.
De onjuistheid was pijnlijk en voor de nabestaanden ongetwijfeld nog pijnlijker. Maar wat mij stoort, is de gretigheid waarmee mensen soms tot hun slechtste moment worden gereduceerd. Kluivert had een verschrikkelijke fout gemaakt. Hij was daarvoor veroordeeld, juridisch én publiek. De passage in zijn boek was slordig, misschien zelfs onverdedigbaar en getuigt bovendien van prutswerk. Maar toch bekroop mij het gevoel dat het interview minder draaide om waarheidsvinding dan om genoegdoening.
Misschien handelde De Jong volledig te goeder trouw. Misschien vond hij het zijn journalistieke plicht. Toch moest ik denken aan wat Arnon Grunberg schreef in zijn recent verschenen essay: dat het christendom nooit echt verdwenen is. We hebben God afgedankt, maar zijn drang tot oordelen behouden. De behoefte aan universele rechtvaardigheid leeft voort in de manier waarop we elkaar beoordelen, veroordelen en soms voor altijd vastzetten in één gebeurtenis.
Want wanneer de naam Patrick Kluivert valt, gaat het nog opvallend vaak over dat ongeluk. Of over een geseponeerde verkrachtingszaak. Zelden over het simpele feit dat hij de beste en sierlijkste spits was die Nederland ooit heeft voortgebracht.
Kijk naar lijstjes van de grootste Nederlandse voetballers aller tijden en zijn naam ontbreekt vaak volledig. Marco van Basten staat er steevast in. Een EK winnen met vijf doelpunten, waaronder de volley die inmiddels onderdeel is van het nationale erfgoed, geeft recht op eeuwige roem.
Ook Dennis Bergkamp is onaantastbaar. Zijn techniek, zijn inzicht en zijn doelpunt tegen Argentinië op 4 juli 1998 behoren tot de mooiste momenten die de sport heeft voortgebracht. Zelfs het afschuwelijke geschreeuw van Jack van Gelder kreeg die avond het zwijgen niet opgelegd.
Maar het merkwaardige is dat Patrick Kluivert er vaker stond wanneer Nederland hem nodig had.
Hij schoot Oranje met twee doelpunten langs Ierland naar het EK van 1996. Op dat toernooi maakte hij de treffer die Nederland naar de kwartfinale hielp. Op het WK van 1998 scoorde hij tegen Argentinië en hield hij Nederland met een machtige kopbal tegen Brazilië in leven. Tijdens Euro 2000 werd hij topscorer van het toernooi. Was de strafschop in reguliere speeltijd tegen Italië 3 cm naar rechts gerold dan was hij de speler die Nederland Europees kampioen had gemaakt.
Maar cijfers vertellen slechts een deel van het verhaal.
Wie Kluivert zag spelen, zag iets wat destijds ongewoon was. Een spits die niet gevangen bleef in het strafschopgebied. Hij liet zich uitzakken, combineerde, versnelde, draaide weg van verdedigers en verscheen vervolgens alsnog voor het doel. Hij was sterk, technisch verfijnd, snel en verrassend elegant voor iemand van zijn postuur.
Thierry Henry verwoordde het ooit treffend:
"Mensen vergeten wel eens hoe compleet Patrick was. Hij deed alles wat een moderne spits moet kunnen, lang voordat de term meevoetballende spits überhaupt bestond."
Dat is misschien wel zijn grootste probleem geweest. Hij arriveerde te vroeg. In zijn eigen leven en in de tijd. Het type spits dat tegenwoordig wordt bejubeld, was hij al in de jaren negentig.
In de zomer van 2008 beëindigde hij zijn loopbaan vrijwel geruisloos. Geen afscheidswedstrijd die het collectieve geheugen binnendrong. Geen laatste triomf. Alleen een speler van eenendertig jaar die langzaam uit beeld verdween.
En dat is wat mij steekt.
Wanneer mensen terugkijken op Patrick Kluivert zien zij vaak de problemen van een tiener, de verwachtingen die hij niet volledig inloste of het gepeuter van een journalist jaren later om genoegdoening door moralisme en universele rechtvaardigheid. Wat ze niet zien, is de zwevende atleet die van een doelpunt iets kunstzinnigs kon maken. De spits die complete verdedigingen uit verband speelde. De voetballer die veel groter was dan de herinnering die van hem is overgebleven.
Dat ik mij daarover opwind, verraadt ongetwijfeld een zekere heidense verering van een aards fenomeen.
Maar sommige spelers verdienen het om herinnerd te worden zoals ze waren.
Patrick Kluivert is daar één van.
