De jongens met de trompet

Dat de mooiste dingen in het leven onverwacht komen, is zo'n ondraaglijk cliché dat zelfs de Xenos het waarschijnlijk niet op een wandbord zou durven drukken. Toch bleek het gisteren weer waar.

Met een patatje mayo van de Smullers in de hand zat ik in de trein toen die stopte op Rotterdam Blaak. Op het perron stond een groep Algerijnse supporters. Een trompet voorop, plezierig lawaai erachter. Ze stapten zingend de coupé binnen en vulden die in een paar seconden met een vorm van uitbundigheid waarvoor Nederlanders meestal eerst een vergunning aanvragen.

Toch werd mijn aandacht vooral getrokken door de reactie van mijn medereizigers.

Even een zijpad. De kleur oranje staat geen enkel wit persoon. Zeker niet als de temperatuur in een trein oploopt en bleke wangen langzaam dezelfde tint aannemen als het shirt. Het resultaat doet denken aan een culinair experiment met Cheetos en gesmolten kaassaus. Wie zich hierin herkent: er is geen schande in het uitshirt.

Maar het was niet de kleur die opviel. Het waren de blikken.

In een gepolariseerde samenleving als de onze zijn er meer dingen die mensen op elkaar doen lijken dan een voetbalshirt alleen.

De ogen van mijn medelanders hadden iets gemeenschappelijks. Geen angst voor geweld,  daarvoor waren de Algerijnen veel te vrolijk, te luidruchtig en te veel met zichzelf bezig. Iedereen met enig gevoel voor mensen kon zien dat deze jongens maar één missie hadden: plezier maken.

Het was een andere vorm van ongemak. Een reflex misschien. De confrontatie met het andere in zijn meest zichtbare vorm.

De omstandigheden waren bijna te perfect. Welgestelde Oranje-supporters, herkenbaar aan hun voorkomen, hun manier van praten en waarschijnlijk ook hun stemgedrag, tegenover een groep Noord-Afrikaanse jongens die klonken alsof ze uit de banlieues van Parijs waren komen overwaaien. Twee werelden in dezelfde coupé, op weg naar dezelfde wedstrijd.

Ik merkte dat het mij tegelijk mistroostig stemde en geruststelde. Mistroostig omdat de afstand soms zo zichtbaar is. Geruststellend omdat ik hem kon waarnemen. Omdat ik voor even buiten mijn eigen bubbel stond en keek naar andere bubbels die tegen elkaar aanschuurden.

Misschien zag een Algerijn dat ook wel aan mij, zonder dat ik het merkte.

De wedstrijd zelf was voor Nederland weinig bijzonders. Maar voor mij werd het alsnog een geslaagde avond. Algerije won. Op Zuid werd feestgevierd. Claxons, vlaggen, gezang en vuurwerk. 

En ergens tussen Rotterdam Blaak en de Afrikaanderwijk heb ik er een nieuw favoriet land voor het komende WK bij gekregen.