> ## Content Index
> Fetch the complete content index at: https://www.schutzenfest.nl/llms.txt
> Use this file to discover other available public pages before exploring further.

# De zomer zonder voetbal
- URL: https://www.schutzenfest.nl/de-zomer-zonder-voetbal/
- Published: 2026-08-11T19:13:45.000Z
- Updated: 2026-08-11T19:13:45.000Z
- Author: Enrique Lodero

De hoeveelheid zand tussen de struiken aan de rand van de straat is te weinig om de ruimte tussen de noppen van zijn voetbalschoenen geloofwaardig te vullen, terwijl Jalah eindeloos rondjes loopt door een wijk uit de jaren vijftig in een middelgrote plaats in Brabant.

Jaren vijftig.

Dat zijn de eerste Nederlandse woorden die hij zich kan herinneren. En de huizen die netjes naast elkaar stonden alsof iemand ze met een liniaal had neergezet, met voortuinen waarin glimmende fietsen stonden die niemand meenam. Hij was anderhalf jaar geleden vanuit Liberia gekomen met zijn ouders. In Monrovia keek hij wie er achter hem liep; hier keek hij vooral naar de bomen. Hij zag de groenheid van de buurt en ervaarde de stilte, de schoonheid van een plek van dezelfde kleur waar niets leek te gebeuren. Ook de blikken van mensen, ergens tussen verbazing en angst. Zijn moeder gaf hem instructies.

“Wees stil en onbeweeglijk. Blijf ’s avonds binnen. Laat ze inzien dat we geen gevaar zijn.”

Jalah vond het niet erg om stil te zijn. Hij was allang blij dat de chaos van Monrovia achter hem lag. Hij had geen heimwee naar het lawaai, de hitte, het wachten en het nooit helemaal weten waar je de volgende dag zou slapen. Nederland voelde alsof iemand de intensiteit van de wereld zachter had gezet. Toen hij de velden van Olympia ’60 zag, stond hij er alleen maar, dagenlang. Het gras was zo groen dat hij eerst dacht dat het kunstgras was. De lijnen waren wit en recht, de doelen hagelwit met netten, er stonden reclameborden en ergens achter het veld stond een kleine tribune die niet stonk. Hij had nog nooit zoveel ruimte gezien die speciaal voor voetbal bestond. In de zomer bleek het mogelijk om gewoon het veld op te lopen, met een eigen bal. Die had hij niet.

Op een ochtend stond er een dun ventje alleen op het veld. Hij droeg een oud trainingsshirt en had een Adidas Tricolore bij zich, met het onmiskenbare patroon van het WK van een paar jaar daarvoor. De jongen trapte hem een paar keer omhoog en ving hem op. Toen keek hij naar Jalah.

“Spelen?”

Het woord kwam eerst in een Nederlandse zin die hij niet begreep en daarna nog eens, in onhandig Engels.

“Play?”

Jalah dacht aan zijn moeder, maar de jongen wachtte. Hij deed zijn schoenen uit. De eerste aanraking met het gras onder zijn blote voeten voelde als iets wat hij zich niet had kunnen voorstellen. De jongen heette Rens. Jalah zei zijn eigen naam drie keer voordat Rens hem goed uitsprak. Daarna hoefden ze niet zoveel meer te zeggen. Rens kon redelijk voetballen. Jalah kon helemaal niet voetballen, althans niet op de manier waarop hij later zou begrijpen dat het in Nederland moest. Hij kon rennen, de bal hooghouden en had gevoel voor ruimte. Hij wist waar hij heen wilde voordat hij wist hoe hij daar moest komen. Rens vond dat mooi.

“Je moet alleen wat strakker passen,” zei hij.

Dus dat deden ze. Drie maanden geleden. Het leek inmiddels een eeuwigheid geleden.

De miezer is dun genoeg om geen regen genoemd te mogen worden, maar dik genoeg om zijn jas vochtig te maken. Hij kijkt op zijn Casio. Nog drie kwartier, dan zou de training afgelopen zijn en kon hij naar huis. Hij draait opnieuw de hoek om. De Diadora’s aan zijn voeten zijn eigenlijk te mooi voor dit rondje. Zijn vader had er lang voor gespaard, niet alleen financieel. Hij werkte in de Coca-Cola-fabriek. Zijn rug leek rechter wanneer hij naar zijn werk ging en krommer wanneer hij thuiskwam.

“Goede schoenen,” had hij gezegd toen hij ze gaf.

Hij wilde niet vertellen dat hij ze nauwelijks nog gebruikte.

Bij Olympia was hij eerst gewoon de nieuwe jongen geweest. Daarna werd hij de nieuwe jongen uit Liberia. Daarna werd hij ‘bruine’. En uiteindelijk was hij degene die niet werd aangespeeld. Het begon klein: een bal die naar iemand anders ging terwijl hij vrijstond, een blik, een lach, een schouderophalen. Davey was de aanvoerder. Slungelig, blond en iemand die met succes zijn gebrek aan alles wist te overstemmen. Tijdens partijtjes riep Davey:

“Hier!”

“Ja, speel!”

Jalah stond soms drie meter verderop, vrij en onzichtbaar.

Op een dag zei Davey: “Speel hem niet aan.”

Niemand vroeg waarom. Daarna hoefde hij het niet meer te zeggen.

De trainer was een Brabantse bullebak met een stem die vooral klanken leek uit te stoten. Hij hield van geveinsde discipline en vieze opmerkingen.

“Niet zo slap!”

“Je lijkt wel een schrale kut!”

Wanneer Jalah op een spaarzaam moment iets goed deed, gebeurde er niets. Hij was stil, niet goed en zwart; de volgorde waarin die eigenschappen tegen hem werden gebruikt, verschilde per dag. Het ergste vond hij de kleedkamer. De mufheid van natte voegen en houten bankjes die nooit liefde hadden gekend. Alle jongens trokken hun kleren uit alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ze praatten, gooiden met handdoeken en stonden naakt onder de douches. Hij deed zijn shirt pas uit wanneer de meeste anderen al naar de douche waren en douchte met zijn onderbroek aan. De eerste keer had iemand gelachen, de tweede keer ook en daarna was het een grap geworden.

Hij vertelde thuis niets. Zijn moeder zou zeggen dat hij sterk moest zijn, zijn vader zou misschien zeggen dat hij moest doorgaan en iedereen zou uiteindelijk hetzelfde zeggen. Hij wilde niet sterk zijn. Hij wilde voetballen. Dat was het probleem. Voetbal was het enige dat hij uit zijn oude leven had meegenomen zonder te weten dat het hem later ook zou worden afgenomen. De televisie maakte die wereld alleen maar groter. Zondagavond, Mart Smeets, Arveladze, Oliseh, Litmanen. Hij wist dat voetbal in Nederland niet alleen een spel was, maar een taal die iedereen leek te spreken. Hij had gedacht dat hij, als hij goed genoeg zou luisteren, vanzelf zou leren hoe hij erin moest wonen.

Rens was de uitzondering. Na trainingen wachtte hij soms op hem. Ze liepen naar huis en soms zei Rens helemaal niets. Na de zomer zou Rens verhuizen. Zijn vader had een nieuwe baan gekregen.

“Maar we blijven contact houden,” zei hij.

Jalah knikte. Hij wist niet wat contact houden betekende wanneer iemand niet meer op tien minuten lopen woonde.

De laatste keer dat ze samen voetbalden, was het warm. Rens had zijn Adidas Tricolore meegenomen en ze speelden tot het donker werd. Daarna zaten ze op het gras, met de bal tussen hen in. Er was iets wat geen van beiden zei. Misschien omdat ze allebei nog te jong waren om het een naam te geven. Misschien omdat het genoeg was dat het er was. De volgende dag verhuisde Rens.

Daarna ging Jalah nog twee keer naar de training. De eerste keer werd hij nauwelijks aangespeeld. De tweede keer vroeg Davey waarom hij überhaupt nog kwam. De trainer greep niet in. Toen bleef hij thuis. Of beter gezegd: hij ging naar buiten. Hij liep rondjes. Hij moest thuis kunnen vertellen dat hij was geweest. Zijn moeder wilde dat hij ergens bij hoorde en zijn vader had schoenen voor hem gekocht. Dus liep hij een uur, soms anderhalf, door de wijk uit de jaren vijftig. Langs de huizen die nog altijd even netjes waren, langs de bomen die nog altijd even groen waren en langs de velden die hij niet meer betrad.

Op een avond kwam hij thuis en vroeg hij zijn moeder of hij mocht stoppen met voetbal. Ze keek hem lang aan.

“Waarom?”

Hij haalde zijn schouders op.

“Ik vind het niet meer leuk.”

Ze zei niets. Dat was misschien het eerste antwoord dat hem beviel. Zijn vader zat aan tafel en keek naar de schoenen.

“Je hebt goede schoenen,” zei hij.

Jalah keek naar beneden.

“Ja.”

“Dan kun je altijd nog spelen.”

Jalah knikte. Hij wilde zeggen dat dat precies het probleem was, maar hij zei niets.

In de maanden daarna dacht hij steeds minder aan voetbal, niet omdat hij het niet meer mooi vond, maar juist omdat hij dat wel bleef vinden. Op televisie bleef hij kijken. Wanneer een bal strak door de linies werd gespeeld, voelde hij nog altijd iets onder in zijn buik. Alleen wist hij inmiddels dat schoonheid niet hetzelfde was als ergens bij horen. Hij wist ook dat een wereld die je bewondert, je niet automatisch binnenlaat.

Een jaar later wordt Jalah wakker van het licht. Het is zomer. Hij weet eerst niet hoe laat het is en blijft even stil liggen luisteren. Geen wekker, geen stem van zijn moeder die roept dat hij moet opschieten. Dan komt het besef: twee maanden. Twee maanden geen school en geen voetbal. Hij hoeft nergens heen. Hij hoeft niemand te overtuigen. Hij hoeft niet beter te worden, niet stiller te zijn en niet te bewijzen dat hij zonder gevaar is. Hij hoeft alleen maar op te staan wanneer hij daar zin in heeft.

Voor het eerst sinds hij in Nederland is aangekomen, voelt hij geen opdracht. Alleen ruimte.

Buiten staan de bomen stil in het ochtendlicht. Hij denkt aan het veld, aan Rens, aan de bal en aan het gras onder zijn blote voeten. Hij mist het, maar het doet geen pijn meer. Jalah draait zich nog een keer om en sluit zijn ogen. Buiten blijft de zomer gewoon liggen. Hij slaapt nog een uur.