Het land dat op dat moment overal lag, behalve in Ierland.

Kritiek op de uitbreiding van het aantal deelnemers aan het komende WK is begrijpelijk. Er hoeft weinig twijfel te bestaan over de motieven van de FIFA om het toernooi verder op te rekken. Tegelijkertijd is het raadzaam om westelijke arrogantie te vermijden en meer dan open te staan voor de nieuwe vlaggen op het wereldtoneel. Daarom verdienen alle debutanten een felicitatie, en heten we Curaçao, Jordanië, Oezbekistan en Kaapverdië van harte welkom.

Maar deze rubriek gaat over de landen die er niet bij zijn.

Daarom kijken we iedere week terug uit eerbetoon naar een gedenkwaardige WK-wedstrijd van een land dat het dit keer niet heeft gehaald.

Deze week: Ierland tegen Italië, 18 juni 1994 in New Jersey. 

Ondanks een razend knappe WK-kwalificatie in een poule met Spanje en Europees kampioen Denemarken werd Ierland door velen nog altijd gezien als niet veel meer dan toernooi-vulling. Dat was niet vreemd. Het elftal beschikte over een indrukwekkende defensieve organisatie, maar niemand geloofde serieus dat de Ieren potten zouden kunnen breken. De Ieren zelf ook niet.

De volksaard echter nodigde uit om een WK niet ongemerkt voorbij te laten gaan.

De Ierse toeristenbond rekende vooraf op zo'n 7.000 meereizende supporters. Voor een land dat economisch nog ver achterliep op veel andere Europese landen was dat al een indrukwekkend aantal. Uiteindelijk staken echter ruim 20.000 fans de Atlantische Oceaan over. Ter vergelijking: Nederland, met een sterkere selectie en een aanzienlijk welvarender bevolking, bracht ongeveer 5.000 supporters op de been.

Zelfs dat bleek nog een onderschatting van de Ierse aanwezigheid. De toestroom van Iers-Amerikanen, die massaal kaarten kochten, verraste de organisatie volledig. Het officiële distributiesysteem was simpelweg niet berekend op de Ierse gekte.

Alsof dat nog niet genoeg was, ging het Britse reisbureau Sportex, dat reizen voor duizenden Ierse supporters organiseerde, vlak voor het toernooi failliet. Honderden fans strandden zonder de beloofde tickets. Om een dreigende volksopstand te voorkomen zag de Ierse ambassade zich genoodzaakt met spoed overheidsgeld voor te schieten om op de zwarte markt vervangende kaarten te kopen.

Uit later vrijgegeven staatsdocumenten blijkt dat de Ierse regering vooraf zelfs bezorgd was over het gedrag van de eigen supporters. Men vreesde dat de beruchte uitbundigheid en het drankgebruik van de fans de reputatie van het land in de Verenigde Staten zouden schaden.

Het tegenovergestelde gebeurde. De Ieren werden al snel geprezen als de absolute sfeermakers van het toernooi.

Bij de openingswedstrijd van Ierland in het Giants Stadium in New Jersey, met plaats voor ruim 75.000 toeschouwers, waren officieel zo'n 60.000 Ieren aanwezig, maar waarschijnlijk meer. Italiaanse supporters zagen vermoedelijk een mooie financiële kans en verkochten massaal kaarten door. Het gevolg was een kolkende groene massa die met een mengeling van zelfvertrouwen en heerlijke zelfspot zong:

"No one can beat the Irish."

Een kolos van schokbeton in het groen. In de schaduw 33 graden. Het leverde een bijna surrealistisch beeld op: een volk dat ondanks een lange catalogus van historische ellende zichzelf nooit al te serieus neemt nam het wereldtoneel in de agglomeratie van New York. De missie van de Ieren was geslaagd. Daar zou een onvermijdelijke overwinning van een van de toernooifavorieten weinig aan veranderen.

Maar het liep anders.

In de elfde minuut volgde de explosie.

Na een mislukte kopbal van Alessandro Costacurta belandde de bal voor de voeten van Ray Houghton. Vanaf een meter of twintig frommelt hij iets tussen een schot en een lob. De bal zeilde over doelman Gianluca Pagliuca heen en verdween in het net.

Houghtons daaropvolgende koprol was een perfecte samenvatting van wat iedereen voelde: uitzinnigheid en ongeloof. Tip: kijk terug. 

Feest dekt de lading niet.

Italië beschikte destijds over een sterrenensemble met spelers als Roberto Baggio en Giuseppe Signori. Toch liepen zij zich negentig minuten lang stuk op de Ierse verdediging, geleid door de 34-jarige Paul McGrath. McGrath speelde de wedstrijd van zijn leven. Ondanks chronische knieproblemen waardoor hij nauwelijks kon trainen, blokte hij schoten, won hij kopduels en schakelde hij Baggio vrijwel volledig uit.

De Engelse bondscoach Jack Charlton wist dat Italië technisch superieur was. Zijn plan was daarom eenvoudig: vroeg druk zetten, fysieke duels aangaan en de Italianen geen seconde comfortabel laten voetballen. Italië raakte zichtbaar gefrustreerd door het harde, directe Britse spel — ironisch genoeg een koekje van eigen deeg — en vond geen antwoord op de Ierse strijdlust.

Dat juist Charlton de architect van dit succes was, maakte het verhaal nog opmerkelijker. De broer van Bobby Charlton, geboren in Noord-Engeland, had het Ierse voetbal fundamenteel veranderd. Niet door van Ierland een technisch wonderteam te maken, maar door een ploeg te smeden die speelde alsof iedere wedstrijd een laatste gevecht was. Veel Ieren gingen hem uiteindelijk bijna als een nationale held beschouwen.

Misschien was dat ook omdat zijn elftal een verhaal vertelde dat groter was dan voetbal.

Veel spelers waren immers niet eens in Ierland geboren. Ze kwamen uit Londen, Liverpool, Manchester of Birmingham en speelden voor het land van hun ouders of grootouders. Het team was een afspiegeling van eeuwen Ierse emigratie: een nationale ploeg samengesteld uit mensen die hun wortels hadden behouden, ondanks de afstand.

Het was niet alleen een voetbalverhaal, maar ook een onverwacht warm verhaal over emigratie, identiteit en verbondenheid.

Daardoor voelde die middag in New Jersey soms minder als een voetbalwedstrijd en meer als een reünie van een volk dat zich over de wereld had verspreid.

Ierland versloeg Italië met 1-0. Een van de grootste resultaten uit de geschiedenis van het Ierse voetbal. Maar wat vooral bleef hangen was het beeld van een stadion vol groen, duizenden kilometers van Dublin verwijderd.

Alsof Ierland voor één middag eindelijk weer op één plek lag.