Moes had het gezien

‘Ik zeg je eerlijk, mensen zijn jaloers.’ Mustapha (Moes voor intimi) spreekt mij aan bij de buurtsuper, zoals hij altijd doet. Op een manier die voor sommigen als grensoverschrijdend kan worden gezien. Ik vind de indringendheid warm, zeker in het decor van een drukke straat vol mensen met oortjes in.

‘Die witte gasten vinden Qatar vies, witte imperialisten. Ja, jij niet hoor.’

Hij wijst naar de hoofdsponsor op zijn shirt van Paris Saint-Germain, alsof ik niet weet hoe het shirt eruitziet. Alsof ik niet weet dat hij op semi-dagelijkse basis dat shirt afwisselt met het uitshirt met Hakimi op de rug. Ik voel me betrapt, omdat ik dat ook weleens denk. Moes lijkt het te zien.

‘Jij niet toch?’

‘Nee, nee. Zeker niet. Ik bedoel, ik heb het weleens gedacht, ja, sorry. Jaren geleden. Mensen moeten weleens wennen aan nieuwe krachten, ja toch? Maar nu zeker niet. Het WK in Qatar was gewoon ook even wennen, denk ik, snap je?’

‘Ja, ik snap je, broer. Ik voel dat je niet bent als die anderen. Spreek je later, man.’

Zonder dat ik kan antwoorden, loopt hij alweer zijn supermarktje/drankwinkel/avondwinkel in voor een dienst die te vroeg begint en veel te laat eindigt.

Het is de trots voelen voor iets waar je je eerst voor schaamde, of nog erger: wat eerst geen enkele betekenis had. Ik had het ook. Rare voornaam, vreemde ogen, hoge jukbeenderen.

‘Ik ben half Fins.’

‘Fins? Heel koud daar, denk ik.’

Of: ‘Hebben ze daar iglo’s? Waarom ben je niet blond?’

In 1992 kwam iemand het veld in voor Dennis Bergkamp in een wedstrijd tegen Go Ahead. Dezelfde ogen, naar beneden gericht. O-benen. Matje dat al uit de mode raakte. Ik liep trots rond als 10-jarige met zijn shirt. Ik hoefde mij even niet te schamen als ik het aanhad. Het land van de sneeuwvlaktes en knollenvelden had een bepalende speler voortgebracht bij het beste elftal van de wereld en de hele arbeidersbuurt wist het.

Soms kijk ik nog weleens zo. Moes had het gezien.