Wat een aanstellerij

‘Wat een aanstellerij.’ Ik hoor het mijn vader nog zeggen vanuit zijn doorgezakte leunstoel in 1995. Mijn gevoel voor leedvermaak had toen al een behoorlijke fundering, want ik moest lachen. Niet alleen om Louis van Gaal, maar vooral omdat ik wist dat de opmerking van mijn vader voortkwam uit een diepe antipathie tegen zowel Van Gaal als theatraal gedrag in het algemeen. De voortreffelijke karatetrap, in pak langs de zijlijn, maakte het alleen maar beter. Wie denkt dat Nederland een door en door calvinistisch land is waar dergelijke uitingen niet worden gewaardeerd, zat er behoorlijk naast. Publiek en media smulden ervan, met als hoogtepunt de replica van de karatetrap op een bomvol Leidseplein.

Ik probeer ondanks mijn leeftijd naar voetbal te blijven kijken met de bril van nu. Met grote voorzichtigheid loop ik om nostalgie en sentiment heen, zodat ik zoveel mogelijk kan genieten van het voetbal dat er daadwerkelijk nog is. Ajax en PSV hielpen mij daar in de eerste helft gretig bij. Box-to-boxvoetbal is een goede kuur tegen het verlangen naar een tijd die nooit meer terugkomt. Het is een filter tegen aanstellerij en cryptoreclameborden. En aanstellerige cryptoreclameborden. Maar het bleek niet bestand tegen iets waarvan ik nog altijd niet weet of ik het moet identificeren als een persoonlijk defect of een uitwas van het modernisme. Hoe dan ook: ergens begon een zachte gloed van heimwee naar Louis te branden.

Miguel Ángel Sánchez Muñoz, oftewel Míchel.

Na het opschrijven van die naam moet ik eerst op onderzoek om mijn onderbuik buitenspel te zetten. Want er zijn verzachtende omstandigheden. De moderne voetbaltrainer maakt deel uit van een ecosysteem waarin hysterisch gedrag onderdeel van de taakomschrijving is geworden. De druk is immens en de dreiging van ontslag permanent. Bovendien weet iedere trainer dat er negentig minuten lang een camera op hem gericht kan staan. Een woest gebaar na een verkeerde inspeelpass is geen moment meer tussen trainer en dug-out, maar beeldmateriaal. En dan zijn er de succesvolle voorgangers. Guardiola, Klopp en Simeone maakten van emotie langs de zijlijn een handelsmerk. Wie tegenwoordig rustig op de bank blijft zitten, loopt het risico ongeïnspireerd of ongeïnteresseerd te worden gevonden. De moderne trainer coacht niet alleen zijn elftal. Hij speelt ook de trainer.

Daar staat tegenover dat ik persoonlijk grote moeite heb met wilde gebaren, geluiden en het voortdurend betrekken van de geloofsbelijdenis bij een mislukte voorzet. Dat is eenvoudig te verklaren als mijn probleem en daarmee ook eenvoudig terzijde te schuiven.

Jordi Cruijff zal er gezien zijn achtergrond vermoedelijk beter tegen kunnen en er geen aanstoot aan nemen. Wel zou hij zich kunnen afvragen of de hysterische hamster die hij heeft aangesteld met al dat gedoe niet precies het tegenovergestelde bereikt van wat een trainer zou moeten doen. Waar een elftal rust nodig heeft, produceert Míchel onrust. Waar een speler na een fout een oplossing nodig heeft, krijgt hij langs de lijn een kleine Spaanse eenakter voorgeschoteld.

Louis van Gaal keek jaren later met enige spijt terug op zijn karatetrap. Zijn emotie had hem meegenomen en uiteindelijk viel de arbitrage met zulke gebaren toch niet werkelijk te beïnvloeden. Op 2 juli stopte hij als adviseur van Ajax. Net te vroeg om Míchel nog feedback mee te geven: 'wat een aanstellerij'.